Uitleg
Begrenzingsdraad leggen voor je robotmaaier: zo pak je het aan
De begrenzingsdraad is de onzichtbare schutting van je robotmaaier. Leg je hem goed, dan heb je er jaren geen omkijken naar. In deze gids lees je hoe de draad werkt, hoe je hem legt en wat je doet bij een draadbreuk.
Hoe een begrenzingsdraad werkt
Een robotmaaier met draad houdt zich aan een draad die je als een gesloten lus rond het gazon legt. Begin en eind van de lus zitten vast in het laadstation. Het station stuurt een zwak signaal door de draad, waardoor er een klein magnetisch veld ontstaat. Sensoren in de maaier voelen dat veld en weten zo of ze binnen of buiten de lus zijn. Komt de maaier bij de draad, dan draait hij om.
Omdat de draad het werk doet, is de maaier niet afhankelijk van satellieten, licht of wifi. Dat maakt een draadmaaier betrouwbaar onder bomen, in de schaduw van het huis en in kleine tuinen tussen muren.
Voorbereiding
Een goede draad begint met een plan.
- Maai het gras kort voor je begint. Dan zie je de randen goed en kun je de haringen makkelijker aanbrengen.
- Kies de plek van het laadstation: vlak, aan de rand van het gazon, met een stopcontact binnen bereik. Laat de maaier recht het station in kunnen rijden.
- Teken de lus op papier of met touw op het gras. Bedenk waar obstakels liggen die de maaier moet overslaan, zoals een vijver, een moestuin of een boom met dikke wortels.
- Lees de handleiding. Afstanden, maximale lengte van de lus en de manier van aansluiten verschillen per merk.
Vastpinnen of ingraven
Vastpinnen gaat snel. Je legt de draad op het gras en zet hem vast met de meegeleverde haringen, op de afstand die de handleiding aangeeft. Trek de draad strak, zodat de maaier er niet in kan haken. Binnen een paar weken groeit het gras eroverheen en zie je hem nauwelijks meer.
Ingraven kost meer werk, maar beschermt de draad beter. Je maakt met een kantensteker of een speciale draadlegger een smalle sleuf en legt de draad een paar centimeter diep. Dat is handig als je verticuteert, vaak met de schep in de rand zit of mollen hebt. Graaf niet dieper dan de handleiding toelaat, want dan wordt het signaal te zwak.
Je kunt ook combineren: ingraven langs randen waar je vaak werkt, vastpinnen op rustige plekken.
Afstand tot de randen
Hoe ver de draad van de rand ligt, hangt af van wat ernaast ligt. Fabrikanten geven in de handleiding afstanden per soort rand, vaak met een meegeleverde meetlat.
- Terras of pad op gelijke hoogte als het gras: de draad kan dichter bij de rand, zodat de maaier met zijn wielen net over de tegels rijdt en tot op de rand maait.
- Muur, schutting of hoge rand: de draad ligt verder van de rand, zodat de maaier er niet tegenaan botst.
- Border of bloembed: houd ruimte, zodat de maaier niet in de planten rijdt. Wil je egels die onder de struiken schuilen ontzien, dan kun je hier extra ruimte laten.
- Vijver, sloot of steile rand: houd ruime afstand. Zo voorkom je dat de maaier op nat gras doorglijdt.
Maak in de bochten geen scherpe hoeken. Een ronde bocht houdt de maaier beter op koers.
Eilanden rond obstakels
Wil je dat de maaier een boom, een vijver of een bloembed overslaat, dan leg je een eiland. De draad loopt vanaf de buitenrand naar het obstakel, eromheen en dan terug naar de buitenrand. Leg de heen- en terugweg strak naast elkaar, in dezelfde sleuf of onder dezelfde haringen. Dan heffen de signalen elkaar op en rijdt de maaier over die twee draden heen alsof ze er niet zijn.
Vaste, stevige obstakels zoals een dikke boomstam of een grote steen hoeven vaak geen eiland. De maaier botst er zacht tegen en draait om. Kwetsbare dingen, zoals een jong boompje of een bed met planten, wel.
Geleidedraad en doorgangen
Een geleidedraad is een extra draad die vanaf het laadstation naar een verder gelegen deel van het gazon loopt en daar op de begrenzingsdraad wordt aangesloten. De maaier volgt hem om snel terug naar het station te rijden, en om via een smalle doorgang naar een ander deel van de tuin te gaan.
Bij een smalle doorgang, bijvoorbeeld een strook gras naast het huis, let je op twee dingen. De afstand tussen de begrenzingsdraden aan weerszijden moet groot genoeg zijn, anders vangt de maaier beide signalen op en komt hij er niet door. Leg daarnaast een geleidedraad door het midden van de doorgang. Hoe smal een doorgang mag zijn, staat in de specificaties van de maaier.
Bewaar bij het aansluiten ook een kleine reserve aan draad, opgerold bij het station of op een paar plekken langs de rand. Dan kun je later het station of een rand verplaatsen zonder nieuwe draad te verbinden.
Draadbreuk vinden
Een draadbreuk merk je meestal snel: de maaier stopt en het laadstation of de app geeft aan dat er geen lussignaal is. Veel voorkomende oorzaken zijn een schep, verticuteren, een trimmer langs de rand, mollen of een draad die na jaren gewoon doorroest bij een slechte verbinding.
Zo zoek je de breuk:
- Begin bij verdachte plekken: waar heb je onlangs gegraven, verticuteerd of een rand gestoken? Controleer ook de verbindingen bij het station en eerdere reparaties.
- Deel de lus op: maak de lus kleiner door de draad halverwege met een korte testdraad met het station te verbinden. Werkt het signaal dan wel, dan zit de breuk in het stuk dat je hebt overgeslagen. Zo maak je het zoekgebied stap voor stap kleiner.
- Gebruik een draadbreukzoeker: dat apparaatje zet een signaal op de draad en een handontvanger laat horen waar het ophoudt. Er bestaat ook een oude truc met een AM-radio die je langs de draad beweegt, maar die werkt niet bij elk station.
Draadbreuk repareren
Knip het beschadigde stuk weg en verbind de draad opnieuw met waterdichte draadverbinders, het liefst met gel gevuld. Veel fabrikanten leveren die mee of verkopen ze los. Gebruik geen gewone tape of een knoop: buiten trekt daar vocht in en dan krijg je later weer storing. Is een stuk te kort, zet er dan een stukje nieuwe draad tussen met twee verbinders.
Wanneer is draadloos de moeite waard?
Een draad is betrouwbaar, maar niet voor elke tuin de handigste keuze. Een robotmaaier zonder draad kan de moeite waard zijn als:
- je tuin vaak verandert, bijvoorbeeld door nieuwe borders of een speeltoestel dat verhuist;
- je bodem erg hard, stenig of vol wortels is, zodat ingraven en pinnen lastig gaat;
- je een groot gazon met veel zones hebt en veel draad zou moeten leggen;
- je vaak verticuteert of de randen steekt.
Staan er veel bomen of hoge gebouwen rond het gras, dan is draadloos juist minder vanzelfsprekend. Lees in RTK, lidar of camera welke navigatie bij jouw tuin past.